lne Gevers curator  \  writer  \  activist


· back Renee Green, Collectanea, 1993; Krzystof Wodizcko, Alien Staf and Mouth Piece, 1995

De tactiek van verschuivende identietien


Allereerst mijn dank dat ik de tentoonstelling Power Up mag openen. Een bijzondere en mooie tentoonstel ­ ling waarin werken samenkomen van 15 uiteenlopende kunstenaars. De diversiteit die dit oplevert is niet alleen het gevolg van het feit dat de kunstenaars een verschil ­ lende culturele achtergrond hebben. Hoewel het in de conceptfase van deze tentoon ­ stelling zeker de bedoeling was een "dialoog op gang te brengen" tussen westerse en niet-westerse kunstenaars, speelden ook andere factoren een rol bij de selectie. Het werk van de kunstenaars zou kritische noties moeten bevatten, en daarmee is naar mijn mening het brandpunt van deze tentoonstelling verlegd van enkel kijken naar het Verschil, naar tegenstellingen, tot een inzoemen op talloze verbindingen tussen deze unieke en voortdu ­ rend in wording zijnde artistieke identiteiten.

De uitnodiging om deze tentoonstelling te openen komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Met een aantal thema's die hier aan de orde worden gesteld houdt ik mij al jaren bezig.

Zo organiseerde ik bijna tien jaar geleden aan de Jan van Eyck Akademie in Maastricht het symposium Cultural Identity: Fiction or Necessity (mei 1991). Het was voor mij een eerste, diepgaande kennismaking met begrippen als culturele ideniteit en multicultura ­ liteit. Het zijn paradoxale begrippen waar bovendien de ironie van af druipt. Zo wordt culturele identiteit vaak verward met cultureel essentia ­ lisme, verwijzend naar een welhaast raciale zuiverheid die allesbehal ­ ve uitnodi ­ gend werkt voor degene die wordt buitengeslo ­ ten. Het begrip multiculturalisme heeft nog een veel wrangere bijsmaak, aangezien het te vaak functioneert als rookgordijn waarachter dezelfde machtsverhoudin ­ gen in stand worden gehouden als ten tijde van koloniale overheersingen. Multiculturalis ­ me staat voor een vreedzaam naast elkaar bestaan van verschillende culturen maar zegt niets over een daadwerkelijke interculturele samenwer ­ king en onderlinge beïnvloeding, terwijl de discussie juist daarover zou moeten gaan. Gewaarschuwd was ik al na het zien van de tentoon ­ stelling Les Magiciens de la Terre in Parijs (1989). Al snel werd mij duidelijk dat de organisa ­ tor Jean-Hubert Martin in zijn enthousiasme voor deze 'wereld ­ tentoonstel ­ ling' kritiekloos uitging van enkele typisch Westerse, neo-kolonia ­ listische vooronderstel ­ lingen. Zo nam hij voetstoots aan dat elk werelddeel zijn eigen 'Magiciens' had zonder zich de vraag te stellen in hoeverre hij gerechtigd was context en historie op te offeren aan de typisch Westerse en exotische betekenis die hij hieraan had gegeven. Gevolg was dat alle kunstwerken zich moesten voegen naar typisch Westerse maatstaven als volledige autonomie en formele dispositie, waarbij volledig werd voorbij gegaan aan de culturele, politieke en economische omstandigheden waarin deze werken waren ontstaan en waaraan ze hun betekenis ontleenden.

Deze kritiekpunten waren o.a. aanleiding voor het debat Cultural Identity: Fiction or Necessity in Maastricht(1). Thema van het symposium was de vraag naar culturele identiteit, wat dit inhield en wiens probleem het eigenlijk was. Op welke wijze kan deze term psychologisch en ideologisch worden gedefinieerd? En heeft het begrip identiteit voor elk individu, ongeacht de cultuur waartoe zij of hij op dat moment behoort, dezelfde waar ­ de? Identiteit is immers nooit een vaststaand gegeven -of het nu gaat om de identiteit van een enkel persoon of van een gehele cultuur- en zal dit ook nooit zijn. Identiteit is voortdurend in wording, afhankelijk van en in interactie met steeds veranderende interne en externe omstandigheden. Tegelijker ­ tijd leefde echter het besef dat het relativeren van begrippen als (culturele) identiteit wellicht een interessante intellectuele uitdaging is, maar dat de mogelijkheid dit te kunnen overdenken voortkomt uit een bevoorrechte positie. Als gevolg van een ongelijke machtsverhouding kunnen enkelen onder ons zich een dergelijk abstract vertoog veroorloven. Voor anderen is het een noodzakelijkheid zich eerst zo'n identiteit te veroveren. Zonder identiteit, ook al is deze slechts symbolisch, is er geen plaats van waaruit men kan spreken. Wanneer de plaats en de middelen (de taal) ontbre ­ ken is het vrijwel onmogelijk voor mensen zichzelf 'op de kaart te plaatsen' binnen de symbolische werkelijkheid die we gezamenlijk creëren. En wanneer de mogelijkheid om onszelf te representeren ontbreekt, bestaan we niet (althans: we worden niet gehoord en ons bestaan wordt genegeerd). Kortom, pas wanneer identiteit verzekerd is kunnen we het ons permitteren te debatteren over haar fictieve waarde. Een van de sprekers op dit symposi ­ um, Guy Brett, herkende in de positie die veel westerlingen innemen 'de luxe van de nieuws ­ gierige afstandelijkheid', een afstandelijk ­ heid die uitgaat van objectiviteit en universaliteit, maar die de machtsonge ­ lijkheid die onder deze oppervlakte schuilgaat veronachtzaamt. Een dergelijke houding moet daarom gekritiseerd worden als een al te gemakkelij ­ k ontsnap ­ pen aan algemeen menselijke verantwoor ­ delijkheid.

Toch is identiteit niet alleen noodzaak voor hen die door anderen van hun (culturele) identiteit (hun tradities, geschiedenissen) beroofd worden. Op de keper beschouwd is deze 'afstandelijke nieuwsgierigheid' slechts een masker, een masker dat onze gezamenlijke angst moet verbergen voor verlies van identiteit. De bron hiervan kan deels psychologisch worden verklaard. Door middel van het creëren van de tegenstelling tussen het zelf en 'de ander' (spiegel ­ fase) en via de taal (intrede in de talige, symbolische orde) verwer ­ ven wij -als alles normaal verloopt- ons een zelfbeeld en identiteit die overigens telkens opnieuw verankerd moet worden. Hoewel de prijs hoog is (de beroemde deling van het subject) levert de intrede in de symbolische orde ons zeker voordelen op, al is het maar de illusie dat we samen met anderen een wereld delen, ervaringen delen, en met elkaar kunnen communiceren. Het nadeel is dat geen ontsnapping mogelijk is. We zijn veroor ­ deeld tot deze orde en slechts op enkele momen ­ ten in ons leven komen we in aanraking met het werkelijke (the Real). Een dergelijke ontmoeting verloopt volgens de psychoanalyticus Jacques Lacan altijd trauma ­ tisch, juist omdat de middelen ontbreken deze ervaring te transporteren naar de talige orde. Lacan spreekt dan ook van een 'misgelopen ontmoe ­ ting' met het werkelij ­ ke. Wat misgaat is de representatie van het werkelijke binnen de orde van de taal; woorden schieten tekort. Ook in breder, cultureel verband zijn we gevange ­ nen van een dergelijke constructie (ik spreek nu over de westerse cultuur). Onze culturele identiteit staat of valt met de mogelijkheid onderscheid te kunnen maken tussen onszelf en anderen, of beter: tussen dezelfden onder ons (self-same) en de Ander. Hoe meer diversiteit en alteriteit we toelaten des te moeilijker wordt het als het ware om een grens te trekken. En daar zit het dilemma. De illusie deel uit te maken van een coherente culturele eenheid geven we namelijk niet zomaar op. Ook al betekent dit dat we alles meten in termen van hetzelfde hetgeen ten koste gaat van het daadwerkelijk anders kunnen zijn van de Ander.

Een van de sprekers, destijds op het symposium Cultural Identity: Fiction or Necessi ­ ty, was Sebastian Lopez, sinds kort directeur van Gate Foundation, Amsterdam. Enkele maanden geleden kwam ik Lopez weer tegen. Hij gaf opnieuw een lezing aan de Jan van Eyck Akademie, ditmaal in het kader van het Transcultural Studies Programm onder leiding van Jean Fisher(2). Zijn verhaal ging over de historische ontwikkelingen van het Stedelijk Museum in Amsterdam, natuurlijk in het teken van haar 'aanpassen' aan een sociaal-cultureel klimaat dat steeds meer eisen stelt ten aanzien van de 'multi-culturele' agenda. Hij stelde dat er de afgelopen 10 jaar veel ten goede was veranderd en somde   enkele prijzenswaardige tentoonstellingen op waaruit dit zou blijken. Voorheen, zo betoogde hij, waren tentoonstellingen als "U..ABC, schilderij ­ en, beelden en fotografie uit Uruguay, Argentinie en Chili (1992), "Zuiderkruis: 27 kunstenaars uit Zuid-Afrika" (1994) en "20 jaar beeldende kunst in Suriname" (1996-7) immers alleen denkbaar in volkenkundige musea. Naar mijn mening toonde Lopez zich hier te optimistisch. Hoewel met name "U..ABC" van Wim Beeren zeker een interes ­ sante ontwikkeling in Nederland in gang heeft gezet, moeten we ons niet te gemakkelijk tevreden laten stellen. Ik vraag mij af of dergelijke, grotendeels op niet-westerse tradities gerichte tentoonstellingen daadwerke ­ lijk iets kunnen toevoegen aan het interculturele klimaat. Wentelde het Stedelijk Museum zich niet eerder in een zelfgenoeg ­ zaam exotisme door zich te richten op deze niet-westerse tradities zonder hen te verbinden met de hedendaagse, multiculturele ontwikkelingen in eigen land? En sloeg het museum daarmee niet twee vliegen in een klap? Het voldeed immers aan de eisen 'politiek correct' te handelen en aandacht te schenken aan niet-Westerse kunst, doch ze presenteerde deze op zodanige wijze dat afstand gewaar ­ borgd bleef. Een en ander werd zodanig gecontextua ­ li ­ seerd en gerepre ­ senteerd dat niet mis was te verstaan dat het kunst betrof uit verre landen -kunst die daar ook weer naar terug ging-, en vervolgens werd door de uitsluitende aandacht ­ voor de tradities (zonder het heden erbij te betrekken) eveneens verwezen naar de onover ­ brugbare afstand tussen hen en ons. Impliciet werd hiermee overigens opnieuw de zuiverheid van de Westerse cultuur bevestigd. Ofwel: 'de Ander' bestaat wel maar is nog altijd op veilige afstand. Als zodanig doen dit soort tentoonstellingen niet veel meer dan anderen tot een eenduidige 'Ander' maken, hen reduceren tot stereotypen, ofwel: verschillen terugbrengen tot herkenbare en als zodanig direct consumeerbare tekens. Daarmee wordt elke alteriteit ontkend. In de praktijk impliceert een dergelijk 'isoleren' van de Ander boven ­ dien marginalisatie zoniet het uitwissen van het bestaan van tal van niet-Westerse kunstenaars die in Nederland of elders in Europa wonen en werken: zowel diegenen die hier als kunstenaars   zijn komen wonen en werken en als zodanig participeren aan het artistieke en intellectuele discours, als hen die hier zijn geboren als kinderen van koloniale diaspora's en dus gewoon Nederlan ­ ders of Europeanen zijn. Terecht stelt Jean Fisher in haar tekst dat deze groep kunstenaars meestal te verschillend zijn om moeiteloos in te passen in de heersende canon, of dat ze juist niet verschil ­ lend genoeg zijn, dat wil zeggen: niet voldoen aan de door ons gecreeer ­ de stereotypes.

Er bestaan verschillende strategieën en tactieken om de aandacht op te eisen voor de hierboven genoemde problematieken. Enkele strategieën zijn besproken in de catalogustekst. Hoewel belangrijk -waar zijn we zonder geschiedenis en eigen verhalen- zou ik het hier willen hebben over enkele andere tactieken. Ik passeer hierbij bewust de term 'strategie'omdat deze een institutionele lading heeft. De franse theoloog-filosoof Michael De Certeau licht dit als volgt toe: ­ "Iets is strategie als het manipulatie betreft van machtsverhoudingen die mogelijk worden op het moment dat een subject met een wil en macht geïsoleerd kan worden (tot instituut kan worden, IG). Dit veronderstelt een plaats die afgegrensd kan worden als van iemand, een plaats die kan fungeren als basis van waaruit relaties kunnen worden gelegd met de buitenwereld (exteriority), bestaande uit doelen of bedreigingen (..) Een tactiek is een gecalcu ­ leerde actie die wordt bepaald door de afwezigheid van een eigen plaats (proper locus)(...) De ruimte van tactiek is de ruimte van de Ander. Deze moet spelen op en met een terrein dat hem/haar is opgelegd en is georganiseerd door de wetten van een vreemde macht. Er zijn geen mogelijkheden iets 'voor jezelf te houden', op afstand houden, je terug te trekken (..) Het is een kwestie van gebruik maken van de mogelijkhe ­ den die zich toevallig aandienen en daarvan afhankelijk zijn (...)"(3). Tactiek is zogezegd de kunst van de 'zwakkeren' : van vrouwen, van werknemers, van onderdanen, van vreemdelingen, van minderheden, van kunstenaars, van buitengeslote ­ nen...Zij die zonder macht zijn, zonder of met weinig middelen tot represen ­ tatie. Maar zij die evenwel in staat zijn -als hun tijd daar is- tot omkering, tot transforma ­ tie, tot verande ­ rin ­ gen en het tot stand brengen van nieuwe betekenissen. In die zin is hun rol subversief en productief.    

Vanwege zijn tactische mobiliteit krijgt de vreemdeling van de uit Polen afkomstige kunstenaar Krystof Wodizcko (zelf ook immigrant) het predikaat 'kunstenaar'. Immigran ­ ten zijn volgens Wodizcko de kunstenaars van de toekomst. Hij maakte voor en met hen enkele apparaten, waaronder de Alien Staff (een uitrusting voor immigranten, voorzien van een high-tech minibeeldscherm en kleine luidspreker en kokers waarin overblijfselen uit de verschillende levensstadia van de eigenaar zichtbaar opgebor ­ gen kunnen worden). Op die manier gaf hij ze de mogelijkheid een plaats in te nemen en zich tegelijkertijd de ruimte te verschaf ­ fen tegen al te enkelvoudige representaties op te treden, ervan af te wijken etc. Wodizcko ziet kunst als een performa ­ tieve daad, de enige daad wellicht die het monopolie van officiele strategieen en pedagogische normen kan ondermijnen. Hierover zegt hij zelf: "Door het maken van gebaren, het gebruik van vreemde accenten en uitdrukkin ­ gen, het verdraaien van dingen...maken we taal bewuster van haar betekenis, drijven we de spot met bepaalde voorgebakken clichees, stereotypen en gevaarlijke iconen, en voeren we meerdere tegenstrijdige betekenissen in. Dit is de performatieve virtuositeit van immi ­ granten en andere vreemde ­ lingen"(4). De instrumenten die Wodizcko voor de immigranten maakte zijn niet bedoeld als het enige communicatie-middel. Het geeft deze mensen in eerste instantie een plaats, een plek van waaruit ze kunnen spreken, een beeld ook dat ze kunnen tegenspreken, aanvullen, veranderen. Het is door deze synthese, deze vermenging van betekenissen dat nieuwe identiteiten kunnen ontstaan. Op hen kunnen niet langer etiketten worden geplakt en als zodanig ontsnappen ze aan de heersende wet. Ze beant ­ woorden niet langer aan onze statische en stereotype opvattingen aangaande vreemde ­ lin ­ gen of immigranten en lenen zich dus ook niet meer als 'Ander' ter versteviging van een 'dezelfden onder ons' gevoel. Of, om de woorden van de kunstenares Renee Green te gebruiken: "They won't play the Other to your Same"(5).

Op de tentoonstelling Power Up zijn vergelijkbare taktieken ingezet. Dit geldt zowel voor de manier waarop de tentoonstelling is bedacht als voor de bijdragen van individuele kunste ­ naars. Er is geen sprake van een algemeen onderwerp of eenduidige werkwijze. Evemin is er verwantschap op formeel niveau. Er is gekozen voor een diversiteit aan identiteiten die tesamen een enkelvoudige splitsing tussen identiteiten onmogelijk maken. Er is gekozen voor zich verplaatsende identiteiten. Daardoor wordt ook de toeschou ­ wer de mogelijkheid geboden verschillende posities in te nemen, een van de belangrijkste voorwaarden voor het loslaten van (schijn) zekerheden. Mogen de hybride kunstwerken van de toekomst een weerspie ­ geling zijn van onszelf...

Ine Gevers

Noten:

1
Cultural Identity: Fiction or Necessity, Maastricht 1991. Integraal gepubliceerd in Third Text, no. 18, 1992 (Special Bilingual Issue)
2
Transcultural Studies Programm, Maastricht 1997, 1998, curated by Jean Fisher
3
Michel de Certeau, The Practice of Everyday Life, Londen 1984, pp. 35-37
4
Ine Gevers & Jeanne van Heeswijk, Voorbij ethiek en esthetiek/Beyond ethics and aesthetics, SUN, Nijmegen 1997, interview met Krzysztof Wodiczko, p. 471
5
Renee Green, Won't Play Other to Your Same, Texte Zur Kunst, no. 3, 1993

Lezing ter opening van de tentoonstelling Power Up, gemeentemuseum Arnhem, 1998



[top]